Hoe geven we ieder kind al vroeg een sterke start?

‘Een sterke vroege start’ was het centrale thema van de dialoogbijeenkomst op 13 februari. Drie tafelgasten discussieerden met elkaar over het voorstel uit ‘Toekomst van ons onderwijs’ om een basisvoorziening voor alle jonge kinderen mogelijk te maken.

Hoe jonger het kind is waarin wordt geïnvesteerd, hoe meer profijt zowel kind als samenleving daarvan hebben. Vandaar het idee om een basisvoorziening te creëren die voor alle jonge kinderen toegankelijk is en waar ze zich spelenderwijs kunnen ontwikkelen. Ongeacht wie hun ouders zijn of wat die doen. Ook kinderen die nu naar de Voorschoolse Educatie (VE) gaan, zouden hiervan gebruik kunnen maken, waarbij de overheid de eerste 16 uur per week betaalt. De instapleeftijd, die voor VE nu op 2,5 jaar ligt, mag omlaag.

Onder leiding van moderator Tjip de Jong gingen drie tafelgasten met elkaar in discussie:

  • René Peeters: bestuurlijk aanjager samenwerking onderwijs/kinderopvang, zorg en jeugd
  • Jos van Zutphen: ontwerper en directeur van speelleercentrum De Wijde Wereld in Uden
  • Magda Heijtel: directeur van de Brancheorganisatie Kinderopvang

 

Volgens Heijtel kan men niet vroeg genoeg beginnen met het begeleiden van jonge kinderen. Hier ligt de basis. 'Maar ieder kind ontwikkelt zich op zijn eigen manier. Pak het dus holistisch aan en leg de nadruk niet alleen op cognitieve ontwikkeling.' Van Zutphen: 'Kinderen moeten kunnen spelen. We denken vaak dat ze alleen leren als ze continu worden omringd door professionals, maar ze leren ook van elkaar. Het belang van spelen is te veel naar de achtergrond verdrongen.'

Een talige, veilige omgeving met veel pedagogische aandacht zou voor alle kinderen van 0 tot 6 jaar beschikbaar moeten zijn. Heijtel: 'Jonge kinderen hebben maatbegeleiding nodig. ' Veel kinderen komen echter op hun vierde vanuit een kleine groep terecht in een groep van 28 leerlingen. Van Zutphen: 'De individuele begeleiding wordt dan ineens een stuk minder.' Deze harde overgang, zo klonk het ook vanuit het publiek, moet worden verzacht door het onderwijs- en kinderopvangsysteem beter op elkaar aan te laten sluiten.

Volgens René Peeters moet de blik voortdurend gericht blijven op de behoeften van het kind. Nieuwe onderwijsvormen verdienen het een kans te krijgen. Het huidige systeem, maar ook de politieke mind set, is te zeer gericht op selectie in plaats van ontwikkeling. Professionele begeleiding vraagt om differentiatie. 'We zijn te gesegregeerd bezig. Belangrijk is een mix van professionals die vanuit hun eigen expertise naar de kinderen kijken en elkaar aanvullen.'

Niet alle jonge kinderen gaan naar de kinderopvang of VE. Als gevolg van de steeds hogere eisen die aan kinderen worden gesteld neemt de ongelijkheid toe. Een basisvoorziening voor alle kinderen tot 6 jaar hoeft echter niet te betekenen dat men het wiel opnieuw uitvindt. Heijtel: 'We hébben al kwalitatieve kinderopvang voor 0 tot 4 jaar. Laten we daar op een goede manier gebruik van maken.'

Op basis van 3 stellingen gingen de tafelgasten en het publiek verder met elkaar in dialoog.

  1. Alle kinderen hebben ongeacht een eventuele taalachterstand recht op toegang tot voorschoolse educatie.
  2. Een doorgaande ontwikkellijn kan alleen slagen als kinderopvang en school als één geïntegreerd geheel worden gezien.
  3. De opleidingen tot pedagogisch medewerker, basisschoolleraar en onderwijsassistent moeten meer geïntegreerd worden.

 

Naar aanleiding van de eerste stelling werd opgemerkt dat in regio’s met scholen die geen VE aanbieden steeds meer kinderen groep 1 binnenstromen die geen Nederlands spreken. Dit zou via een basisvoorziening kunnen worden aangepakt. Hierbij mogen niet alleen ‘lesjes worden gegeven’, maar moet er spelenderwijs met de kinderen worden omgegaan. De term ‘educatie’ is in dit verband wellicht misleidend.

Integratie van school en kinderopvang (stelling 2) kan de huidige versnippering reduceren. Van Zutphen: 'Het bundelen hiervan binnen één gebouw maakt het handelen makkelijker.' Volgens de aanwezigen is dit echter niet de enige manier om een doorgaande ontwikkellijn te laten slagen. Heijtel benadrukte met name de kwalitatieve samenwerking tussen leraren en pedagogisch medewerkers.

Meer integratie van opleidingen (stelling 3) is goed, maar mag niet leiden tot een eenheidsworst. Van Zutphen: 'Het is waardevol om verschillende professionals vanuit hun eigen expertise naar het kind te laten kijken. Vanzelfsprekend moeten ze allemaal pedagogisch sterk zijn.' In het verlengde hiervan werd ook gepleit voor meer doorgroeimogelijkheden binnen kinderopvang en onderwijs op verschillende niveaus. Dit zou het beroep van leraar/pedagogisch medewerker aantrekkelijker maken. René Peeters waarschuwde het Pabo-niveau niet te verlagen. 'De pabo moet juist zwaarder worden.'

Na afloop van de dialoog praatten veel aanwezigen nog na over het onderwerp van de bijeenkomst.

Voeg toe aan selectie