Hoe zorgen we ervoor dat werken in het onderwijs aantrekkelijk is en onderwijsprofessionals de ruimte hebben om zich te ontwikkelen?

Het discussiestuk Toekomst van ons onderwijs nodigt uit tot dialoog. Deze keer vond de dialoogbijeenkomst vanwege het coronavirus niet live plaats, maar via een webinar. Het thema van de dialoogbijeenkomst op 23 maart is Waardering en professionele ruimte voor onderwijsprofessionals.

Onderwijs wordt gemaakt door onderwijsprofessionals: ondersteunend personeel, leraren, docenten, schoolleiders en bestuurders. Voor de toekomst van Nederland heeft het onderwijs de beste mensen nodig. Mensen die gewaardeerd worden voor wat ze doen, voldoende professionele ruimte hebben, zich als professional kunnen blijven ontwikkelen en een marktconform salaris verdienen. Om dit te bereiken moet het onderwijs een aantrekkelijke sector zijn om in te werken. Lerarenopleidingen en scholen zullen meer moeten gaan samenwerken, leerkrachten en ondersteuners zullen meer ruimte moeten krijgen voor ontwikkeling, er zullen flexibelere opleidingsroutes moeten komen en meer mogelijkheden om mensen met een andere vooropleiding en werkervaring aan te trekken. Kortom: het onderwijs zal anders georganiseerd moeten worden waarbij samenwerken een grote rol gaat spelen. Hoe denken de tafelgasten hierover?

De dialoogbijeenkomst ging dit keer anders. Vanwege de geldende maatregelen in verband met het coronavirus vond de discussie plaats zonder publiek, in de vorm van een webinar van een uur. De tafelgasten zaten op gepaste afstand van elkaar in een studio in Amsterdam. Er was ruimte voor drie personen, daarom wisselden twee tafelgasten halverwege het gesprek van plek. De discussie werd begeleid door een moderator. Tijdens het gesprek verschenen er vijf stellingen in beeld waar de deelnemers (ongeveer 160) online op konden reageren, zowel in de chat als door op de eens- of oneens-button te klikken. Een aantal van de vragen en opmerkingen in de chat werd meegenomen in de discussie. De rest wordt verzameld en verwerkt in rapportages.

De drie tafelgasten:

  1. Maarten Willms, leraar VSO, ambulant onderwijskundig begeleider, bestuurslid Onderwijsreis
  2. André Koffeman, leraar ILO (beginnende leraren), opleider voor ervaren leraren, promotie-onderzoek leren van leraren
  3. Anke Langmuur, directeur primair onderwijs, voorzitter Leraren met lef

 

De moderator opende met het uitspreken van de verwachting dat de coronacrisis wel eens zou kunnen leiden naar een herwaardering van de leerkrachten en onderwijsondersteuners. Nu leerlingen en studenten thuis aan de slag moeten met hun schoolwerk, ervaren de ouders van heel dichtbij hoe belangrijk en gespecialiseerd lesgeven is.

Waardering, onderzoek en curriculumhervorming

Willms merkte op dat natuurlijk al wel voorzien was dat het onderwijs in de toekomst digitaler zou worden, maar dat ontwikkelingen op ICT-gebied lastig te voorspellen zijn. Nu gaat het digitaal lesgeven ineens in een stroomversnelling en zie je hoe het vorm krijgt, dat is waardevol.

Koffeman beaamt dat de balans tussen werkdruk en waardering heel belangrijk is. ‘De gemiddelde docent krijgt het steeds drukker met meer taken en meer zorgen. Problemen in de maatschappij, zoals bijvoorbeeld obesitas en loverboys, komen op de agenda van het onderwijs terecht. Die moet het maar oplossen, er gaat zelden iets van de agenda af. Op de beroepsladder stond het beroep docent vrij hoog, nu zakt het. Landelijk ontstaat er een negatiever beeld. Nog wel bovengemiddeld, maar lager dan voorheen.’ Uit onderzoek blijkt dat leerkrachten denken dat de waardering van ouders lager is dan die in werkelijkheid is. Ouders waarderen het onderwijs overigens in het algemeen iets lager dan het onderwijs aan hun eigen kind(eren). Koffeman wees op het feit dat ouders –  als klant – hoge eisen stellen. Ontevreden ouders uiten vaker hun mening in een onderzoek dan tevreden ouders en daardoor ontstaat er een onbetrouwbaar beeld.

Zo kwamen er wel drie ‘soorten’ waardering naar voren:

  1. de financiële waardering;
  2. de waardering van de maatschappij; en
  3. de ouders en de waardering in professionele ruimte en tijd.

 

Willms geeft het verschil aan tussen het speciaal onderwijs en het basis- en voortgezet onderwijs: ‘Ik ervaar, als vakdocent muziek in het speciaal onderwijs, genoeg middelen en ruimte voor ontwikkeling en onderzoek. Die waardering is er. Ook van ouders die mee staakten.’ Hij geeft aan dat die ruimte ook afhankelijk is van de schaarste van vakleerkrachten: een wiskunde docent staat veel voor klas en heeft gewoon weinig tijd voor zelfontwikkeling.

Maarten denkt ook dat curriculumhervorming nodig is, maar te weinig leeft onder de leerkrachten. ‘We staan samen niet sterk en zien vakinhoud, didactiek en pedagogiek als een wettelijke verplichting waar we zelf weinig invloed op uit kunnen oefenen.’

Ruimte voor ontwikkeling geven én nemen

Langmuur beaamt dit. Zij is schooldirecteur en voorzitter van Leraren met lef en hoopt daarmee de leerkrachten te stimuleren om zich te verenigen en het vak weer terug te nemen. ‘Er is nu te veel versnippering, er zijn veel organisaties die er óver praten, terwijl de leerkrachten zelf weer de regie moeten nemen. Het moet tenslotte op de werkvloer gebeuren.’ Zij ziet het als haar taak als directeur om dienend en faciliterend te zijn. Ze stipt de grote uitdaging aan om leerkrachten de ruimte om zichzelf te ontwikkelen te laten voelen. Er is veel aanbod, maar leerkrachten voelen zich ontzettend verantwoordelijk voor hun kinderen en vinden het lastig om ruimte voor zichzelf te nemen.

Koffeman haakt aan: ‘Hoe faciliteer je het onderwijs zo dat er een wisselwerking ontstaat tussen enerzijds ruimte voor persoonlijke ontwikkeling waar individualiteit, zelfbepaling en autonomie centraal staan en anderzijds het zijn van professional als onderdeel van een club die eisen stelt?’ De discussie gaat verder aan de hand van vijf stellingen.

De pabo moet gesplitst worden in opleiden van het jonge kind en opleiden van het oude kind
75% was het met de stelling eens. Langmuur ook: ‘De meeste leerkrachten hebben een voorkeur voor een bepaalde leeftijdsgroep, laat ze zich daarin specialiseren.’ Wellicht trekt het ook meer jongens/mannen aan die liever de wat oudere kinderen lesgeven.

Er is behoefte aan intensieve regionale samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen
Bijna iedereen was het met de stelling eens. Koffeman vindt dat de samenwerking er wel is, maar veel intensiever kan. ‘Scholen kunnen de opleidingen gebruiken als kennispartner en input halen uit de waardevolle kennis die uit onderzoek komt. In plaats van louter als aanvoer van leerkrachten, die vaak als stagiair beginnen en blijven hangen.’

Nederland zou moeten inzetten op Master-opgeleiden leraren en docenten in po, vo en mbo
Ongeveer de helft was het met de stelling eens. De tafelgasten pleitten vooral voor een andere indeling van het onderwijs aan leraren in een ander systeem. Als leerkracht ben je nooit uitgeleerd en leer je vooral al doende. Het idee van een basisopleiding spreekt aan: eerst opgeleid worden in een vakgebied of leeftijdscategorie, dan lesgeven, vervolgens weer verdiepen en indien gewenst een master volgen, inclusief salarisverhoging.

Het behalen van een bevoegdheid is geen eindpunt maar de start van verdere ontwikkeling
Bijna iedereen was het eens met de stelling. Dit sluit aan bij stelling 3. Er werd gepleit voor het creëren van mogelijkheden om ‘binnen de klas’ carrière te kunnen maken, om leerkrachten te faciliteren om samen onderwijs te ontwikkelen en elkaar te begeleiden. Dit kost geld en vraagt tijd. Maar het vraagt vooral een verandering van mindset van de leerkrachten (minder lesgeven, meer leren van elkaar) en biedt ook ruimte aan hybride leerkrachten en het aantrekken van mensen met een andere opleidingsachtergrond en werkervaring.

Het bevoegdhedenstelsel dient loopbaanstappen en professionele ontwikkeling te stimuleren
Iedereen was het eens met de stelling. De tafelgasten waren het er ook mee eens, maar waarschuwden voor het gevaar dat een maximaal salarisniveau met zich mee kan brengen: achterover leunen en jezelf niet meer uitdagen en ontwikkelen. Intrinsieke motivatie is belangrijk. Dit kun je stimuleren door het geven van tijd, ruimte en vertrouwen aan de leerkrachten om zich klaar te maken voor het voorbereiden van de leerlingen/studenten op hun toekomst. Het onderwijs moet voorop lopen.

Voeg toe aan selectie