Hoe zorgen we voor een brede, sterke leercultuur, waarin een leven lang ontwikkelen vanzelfsprekend is?

Het discussiestuk Toekomst van ons onderwijs nodigt uit tot dialoog. Dit gebeurt onder andere tijdens een aantal dialoogbijeenkomsten met relevante partijen. Het thema van de dialoogbijeenkomst op 18 februari was Nieuwe arrangementen voor werken, onderzoeken een leven lang ontwikkelen.

De onderwijssector wil een doorbraak realiseren in een leven lang ontwikkelen. Dit is nodig omdat de welvaart van Nederland afhangt van de productiviteit en kwaliteit van ons menselijk kapitaal. Door technische ontwikkelingen en globalisering verandert de aard van werk continu en soms radicaal. 'We hebben dus een goed opgeleide, wendbare en weerbare beroepsbevolking nodig om hiermee om te gaan. En die kan alleen bestaan als permanent leren, jezelf een leven lang ontwikkelen, vanzelfsprekend zijn', aldus het pleidooi uit het discussiestuk.

Gespreksleider Tjip de Jong begeleidde de dialoogbijeenkomst. Het begon met een discussie tussen drie tafelgasten, gevolgd door een uitnodiging aan de ongeveer zestig aanwezigen om met elkaar in gesprek te gaan aan de hand van een aantal stellingen.

De drie tafelgasten:

  • Henk Hagoort: voorzitter CvB Hogeschool Windesheim
  • Erik Stam: hoogleraar UU en lid commissie Borstlap
  • Rob Mudde: vice-rector TU Delft

 

Tjip opende met de vraag: welk belangrijk thema aangaande de regulering van werk is een goede start van de dialoog? Erik Stam ging hier als eerste op in: ‘De regulering van werk stamt uit het begin van de twintigste eeuw en werkte lange tijd goed, met alle plak- en knipaanpassingen die in de loop van de tijd gedaan zijn. We leven ondertussen echter niet meer in een industriële economie, maar in een kenniseconomie. Dat maakt dat de regulering in zijn totaliteit toe is aan herziening. Het belang van kennis is toegenomen en er moet meer aandacht komen voor leerregelingen om de waarde van werk te kunnen waarborgen.’

Vroeger werd je al op jonge leeftijd klaargestoomd om aan het arbeidsproces deel te nemen en kon je daar de rest van je leven op teren. Door technologische ontwikkelingen, mondialisering en de grote rol die kennis tegenwoordig speelt, heeft men steeds meer bijscholing nodig, maar ook doordat we ouder worden en langer (moeten) deelnemen aan het arbeidsproces. Als mens ben je kwetsbaarder, om waardevol voor de maatschappij te kunnen zijn, moet je je blijven doorontwikkelen om kennisveroudering te voorkomen.

Henk Hagoort vult aan dat het van groot belang is dat het onderwijs aandacht besteedt aan het leren leren. ‘(Hoge)scholen moeten studenten leren om meer de eigen regie te nemen op hun leren. Dat kunnen ze niet altijd op hun zeventiende, maar is wel nodig om hun hele leven te kunnen blijven leren. Hoe leren, waar leren, eigen resultaten beheren en zelf je leerbudget beheren.’

Of een leerbudget een goed alternatief is, daarover merkt Rob Mudde het volgende op: ‘Ik heb het liever niet over een kenniseconomie. We leven in een samenleving waarin het nodig is dat mensen hun kennis op peil houden om te kunnen werken, maar ook om je weg te blijven kunnen vinden in een samenleving die steeds complexer wordt. Het is niet zomaar gekomen dat we jonge mensen vrijstellen van werk, je moet je eerst kunnen ontwikkelen. Ik zie dat we nu een vergelijkbare stap moeten zetten. Het kennis ontwikkelen in jezelf mag niet te veel in een economisch perspectief gezet worden, maar het is wel duidelijk dat iedereen, dus ook de groep in de leeftijd van 25 - 70 jaar zich moet blijven scholen anders loopt het vast in alle geledingen.’

Om het publiek een de mogelijkheid te geven zich te mengen in de discussie, werd aan de hand van drie stellingen verder gediscussieerd.

De deelnemers en tafelgasten zijn het met elkaar eens dat we er als maatschappij niet aan ontkomen om mensen in staat te stellen om te blijven leren. Maar de manier waarop is de grote vraag. Wat is passend onderwijs? En vooral: hoe blijven we mensen prikkelen om gemotiveerd te blijven om te leren. Een aantal mensen hebben slechte herinneringen aan school of zien er het nut niet van in.

Er kan nog veel beter ingespeeld worden op de behoefte tijdens verschillende levensfasen. De didactiek van het onderwijs aan volwassenen dient verder onderzocht te worden. Het bestaande onderwijs kan veel flexibeler gemaakt worden door bijvoorbeeld losse onderdelen af te nemen zonder een diploma te hoeven halen. En hoe groot is de invloed van leren uit de praktijk? Het is lastig om te valideren wat mensen leren. Er is een onderscheid tussen beroepsleren en onderzoekend leren, dat vraagt om een goede infrastructuur.

Zoeken we de oplossingen regionaal of landelijk? Leren is maatwerk. Uit het publiek wordt geopperd dat het probleem niet ligt in het aanbod in onderwijs, maar in de moeilijkheid om te formuleren waar het bedrijfsleven behoefte aan heeft. Hoe komen we tot een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt? Wat hebben we in de toekomst nodig? Daar ligt ook een rol voor de universiteiten, zij bieden vaak de laatste stap naar zelfstandigheid.

En hoe zit het met wetenschappelijk denken, dat is iets anders dan een diploma hebben om arbeid te kunnen verrichten. Paul Rosenmöller, een van de initiatiefnemers van het discussiestuk Toekomst van ons onderwijs, merkt op dat om levenslang te kunnen ontwikkelen het de grootste uitdaging is om een andere leercultuur te creëren. Plezier hebben in leren lijkt een basisvoorwaarde, net als inzicht hebben in wat je als individu nodig hebt om te kunnen (blijven) functioneren, en de mogelijkheden om ook daadwerkelijk de regie te kunnen nemen.

Wat opvalt is het besef van de urgentie om het onderwijs 'toekomst proof' te maken, de wil om dit in samenwerking voor elkaar te krijgen - bedrijfsleven én onderwijs - en om daarbij gebruik te maken van al het goede dat al ontwikkeld is.

Na afloop van de discussie bleven veel aanwezigen nog napraten over het onderwerp van de dialoogbijeenkomst en het discussiestuk.

Voeg toe aan selectie