Iedereen is voor gelijkheid in het onderwijs, maar hoe zorgen we daarvoor?

Tijdens de dialoogbijeenkomst van maandag 10 februari stond het thema Toegang tot onderwijs en gelijke kansen op het programma. Drie tafelgasten uit het onderwijs gingen met elkaar in discussie over de kansengelijkheid in het onderwijs en de voorgestelde koerswijziging die in het discussiestuk Toekomst van ons onderwijs wordt aangedragen.

In het hele onderwijs ervaren partijen dat de kansengelijkheid onder druk staat. De Onderwijsinspectie concludeerde in 2019 dat ongelijke kansen, segregatie en dalende prestaties dreigen te verscherpen. Met op de achtergrond het lerarentekort dat het gehele onderwijs sterk beïnvloed. Het discussiestuk Toekomst van ons onderwijs bevat een visie op doorlopende leerlijnen in het onderwijs en een idee voor een sterkere funderende fase. Daarnaast pleit het discussiestuk voor meer flexibiliteit en maatwerk in de kwalificerende fase én een idee voor stroomlijnen wisselwerking in de fase van hoger onderwijs.

Gespreksleider Tjip de Jong opende de dialoogbijeenkomst en stelde de drie tafelgasten voor die met elkaar in discussie gingen:

  • Hanke Korpershoek, onderwijskundige en universitair hoofddocent aan het GION Onderwijs/Onderzoek instituut aan de Rijksuniversiteit Groningen
  • Sylvia Pronk, interim directeur bij De Haagse Scholen
  • Louise Elffers, lector Kansrijke schoolloopbanen HvA en universitair docent onderwijswetenschappen aan de UvA

 

Uitgangspunt van de dialoogbijeenkomst was om over zaken die in het discussiestuk worden voorgelegd te discussiëren en te verdiepen. De discussie startte allereerst tussen de tafelgasten, maar later was er ruimte voor het publiek om deel te nemen aan de discussie.

Gespreksleider Tjip de Jong opende met de vraag ‘Waarom is het nodig om aan onderwijsgelijkheid te werken?’ Louise Elffers gaf als eerste antwoord: ‘Het is noodzakelijk omdat ons onderwijsstelsel resulteert in ongelijke leerkansen voor leerlingen met verschillende niveaus en achtergronden.’

Sylvia Pronk was het daar gedeeltelijk mee eens: ‘Ongelijkheid moet inderdaad goed in de gaten worden gehouden en als het aan de orde is, moet het ook zéker aangepakt worden. Maar met mijn ervaring op verschillende scholen in diverse wijken weet ik dat het niet altijd aan de orde is. Dus we moeten ook oppassen dat we niet opeens zeggen dat er geen of nergens gelijke kansen zijn.’

Hanke Korpershoek haakte hierop in: ‘Er zijn zéker ongelijke kansen in het onderwijs. Alleen wordt dit niet aangepakt door het systeem te veranderen. De problemen worden namelijk niet door het systeem zelf veroorzaakt, maar door de uitvoering ervan. Dat zit ‘m in de flexibilisering van het onderwijs. Dat wil zeggen dat als je een bepaald schooladvies krijgt, er daarna nog mogelijkheden zijn om toch (wanneer gewenst) een andere route te nemen.’

Na een half uur werden drie stellingen voorgelegd, waarbij er een discussie op gang kwam tussen het publiek en de drie tafelgasten. De stellingen waren:

  1. Door uitstel van definitieve selectie tot ongeveer 15 jaar geven we alle leerlingen een eerlijke kans
  2. Leerlingen zijn zelf in staat om keuzes te maken in het onderwijsaanbod
  3. Door een breed modulair aanbod met vakken op verschillend niveau zijn leerlingen gemotiveerder

 

De eerste stelling lokte de meeste reacties uit bij het publiek. Zo werd er geopperd om de definitieve selectie tot 13 of 14 jaar in te stellen. Ook het Finse onderwijssysteem werd aangehaald, waarbij kinderen tussen de 7 en de 15 jaar hetzelfde programma volgen en bij elkaar op school zitten.

Aan de discussietafel werd vooral gesproken over de studieloopbaanbegeleiding van leerlingen, die wel een stuk intensiever mag plaatsvinden. Dit werd door sommigen uit het publiek stellig beaamt: ‘zoek maar eens op internet op ‘ambitie’ en ‘leerlingen’ en je vindt nagenoeg niets. Er is weinig over bekend, terwijl het zo belangrijk is. Leerlingen moeten op jongere leeftijd al keuzes maken voor hun eigen toekomst en die keuzes maken ze voor de rest van hun leven, want je kunt in het huidige onderwijssyteem niet makkelijk switchen.’

Over de laatste stelling was nagenoeg iedereen het wel eens. Natuur- en wiskundeleraar Wouter Jansen haakte in op de discussie door aandacht te vragen voor het lerarentekort en vroeg zich hardop af of het wel zin heeft om op zo’n hoog abstract niveau over het onderwijssysteem te praten, terwijl er leraren nodig zijn. Louise Elffers begreep zijn standpunt wel, maar gaf wel aan dat het een het ander niet hoeft te bijten. Ook Paul Rosenmöller, een van de initiatiefnemers van het discussiestuk, liet van zich horen na de oproep van de leraar: ‘Ik denk dat je in belangrijke mate gelijk hebt, vanwege je werkdruk. Maar probeer ondanks dat het korte én lange termijn probleem te zien. Het is vooral belangrijk dat we samen optrekken in het lerarentekort, maar ook bij het wijzigen van het onderwijssysteem.’

Daarmee kwam de dialoogbijeenkomst tot een einde, waarna veel aanwezigen nog een tijdje met elkaar in gesprek gingen over het discussiestuk.

Voeg toe aan selectie